Mooie tranen

Alejandro Valverde is 35 jaar. In een profcarrière van 13 jaar heeft hij een indrukwekkend palmares bij elkaar gefietst. Hij heeft Luik-Bastenaken-Luik en de Waalse Pijl meerdere keren gewonnen. Dit jaar kwam hij zelfs bij beide koersen als eerste over de streep. Daarnaast heeft hij de Ronde van Spanje een keer op zijn naam geschreven en nog een hele reeks aan ereplaatsen aan elkaar geregen. Ook vier touretappes staan achter zijn naam. Heb je dan nog dromen?

Alejandro Valverde WK 2Ja. De droom van Valverde was om in Parijs op het podium te staan. Je leest het goed: niet het wìnnen van de Tour, maar het podium. Wat zegt dat over de persoon Valverde? Dat hij een realist is. Hij wist allang dat het hoogste treetje in de Tour voor hem onhaalbaar is. Sterker nog, in zeven vorige tourdeelnames wist hij slechts twee keer bij de eerste vijf te eindigen. Dus een podiumplek moest het worden. En dat werd het ook. Eindelijk.

Na de finish van de etappe naar l’Alpe d’Huez barstte hij in tranen uit. Voor het eerst was het gelukt, op het podium staan in de Tour de France. Vorig jaar greep hij er met een vierde plek net naast. Daarmee vallen meteen een paar puzzelstukjes op hun plek. Nu is het duidelijk waarom Valverde zich in deze Tour niet volledig wilde opofferen voor zijn kopman, de sterkere en veel jongere Nairo Quintana. Daarmee liep hij namelijk het risico zijn podiumplek te verliezen. Zijn droom, waar hij zo dichtbij was, zou dan uiteen spatten.

Het lijkt erop dat Valverdes ultieme droom is uitgekomen. Maar naast de Tour de France is er nog die andere wedstrijd waarvan het zeer weinigen gegeven is om hem te winnen: het Wereldkampioenschap. Bij deze jaarlijkse eendaagse koers was er voor Valverde in de afgelopen tien jaar aan podiumplekken geen gebrek: twee keer zilver, vier keer brons. En je raadt het al, hij won het WK nog nooit. Het zal moeilijk worden om ook deze droom werkelijkheid te laten worden. Hij is een renner op leeftijd en het parcours in Richmond dit jaar met kasseien en korte steile klimmen lijkt hem niet goed te liggen. De tijd begint dus te dringen.

De tranen die ik gisteren zag, waren mooie tranen. Ik hoop dezelfde tranen ooit weer te zien op het WK.

Advertenties

Ode aan de echte amateur

Acht jaar geleden ben ik begonnen met wielrennen. Ik begon zoals waarschijnlijk velen dat doen: ik kocht een tweedehands stalen fiets met toeclips (u weet wel, die pedalen met leren riempjes om je schoenen in te steken) en een schakelsysteem op het frame. Links en rechts kreeg ik wat oude, afgedankte kleding aangereikt. De rondjes die ik reed, overschreden zelden de dertig kilometer en een gemiddelde van 27 kilometer per uur vond ik al heel wat.

Wielrennen is de meest materialistische en ijdele sport die er is. Ik kreeg nooit commentaar op mijn voorkomen, maar toch voelde ik de afkeuring als ik met andere fietsers samen reed. Wielrenners doen dat. Ze kraken jou niet af, maar pochen zoveel over hun eigen fiets en kleding, dat je vanzelf het idee krijgt dat je voor lul rijdt. En bovenal: je wordt niet serieus genomen.

Ik had sterk kunnen zijn, me er niks van aan kunnen trekken en gewoon op dezelfde (betaalbare!) manier door kunnen gaan. Maar helaas, ik ben voor de bijl gegaan. Het begon met een andere fiets (nog steeds tweedehands overigens, de metamorfose gaat in stapjes). Bij de fiets moest een bijpassend kledingsetje komen. De toeclips verruilde ik voor klikpedalen en het schakelen ging vanaf nu met de shifters op het stuur.

Ergens in dit proces kwam dé kritieke vraag bovendrijven: ga ik mijn benen scheren? In het begin van mijn ‘carrière’ peinsde ik er niet over. Je benen scheren is te veel gedoe, volstrekt nutteloos en bovendien ontzettend gay, althans, als ik mijn vrienden mag geloven. Maar ja, veel wielrenners doen het en zittend op de fiets staat het veel beter, toch? Ik verloor het van de ijdelheid. Vier jaar geleden heb ik voor het eerst mijn beenhaar verwijderd en sindsdien is het vaste prik geworden.

Zelfs toen was het einde van mijn metamorfose nog niet in zicht. Tegenwoordig rijd ik op een carbonfiets, gebruik ik gelletjes als ik lange afstanden rijd (helpen ze echt?) en zijn mijn fiets, shirt, broek, schoenen en helm qua kleur in perfecte harmonie met elkaar. Ik voel me er een betere fietser door, maar dat ben ik natuurlijk niet. Met andere woorden, ik kan niet zo goed uitleggen waarom ik het allemaal doe.

Je ziet ze nog regelmatig. De echte amateurs. Ze rijden op een blauwe fiets met een stalen frame, dragen een groen shirt met een rode broek en hebben behaarde benen. Ze rijden hun rondjes waarschijnlijk met net zo veel plezier als ik en ik rijd ze er lang niet allemaal af. En al lukt dat wel, dan nog weet ik dat ze op een ander vlak sterker zijn dan ik: ze zijn niet gezwicht voor de ijdelheid. Alleen al dat verdient respect. Via deze weg wil ik hen laten weten dat ik absoluut niet op ze neerkijk. Integendeel. Stiekem bewonder ik ze.

De wederopstanding van Robert Gesink?

Ik ben gisteren getuige geweest van de wederopstanding van Robert Gesink. Althans, dat beweert sportcommentator Herbert Dijkstra. De afgelopen jaren liepen de Nederlandse media weg met ‘Bau en Lau’ (Bauke Mollema en Laurens Ten Dam), maar Gesink lijkt dit tij te hebben gekeerd. Na enkele jaren van tegenvallende prestaties zijn alle ogen weer op hem gericht. Zoals het hoort, zou ik bijna zeggen.

Sinds jaar en dag is Robert Gesink de belofte voor het Nederlandse wielrennen. In zijn eerste seizoenen als wielerprof kon hij in etappekoersen al met de besten (Valverde, Evans, Contador) mee bergop . Hij reeg de ereplaatsen aan elkaar in het voorjaar en in de grote rondes eindigde hij meermaals in de top tien, met als beste prestatie tot nu toe de vierde plek in het eindklassement van de Tour de France in 2010 (nadat de uitslagen van Contador en Mensjov werden geschrapt).

Daarna stagneerde het. Gesink kende veel tegenslag, waardoor hij beneden verwachting presteerde. Hij was het slachtoffer van meerdere valpartijen, zijn vader overleed en hij leed aan hartritmestoornissen. Dat hij in 2013 de Giro voortijdig moest verlaten als gevolg van een aanval van hyperventilatie maakte duidelijk dat het in zijn hoofd niet helemaal goed zat. In 2014 besloot hij zich operatief te laten behandelen tegen zijn hartritmestoornissen. Nu, een jaar later, lijkt hij beter dan ooit.

Het is zo’n mediageniek verhaal: wielrenner maakt indruk aan het begin van zijn carrière, wordt gebombardeerd tot nationale belofte, kent vervolgens veel tegenslagen, maar slaagt er toch in de hooggespannen verwachtingen waar te maken. De kers op de taart is het interview na de etappe met de huilende coach van Gesink, Merijn Zeeman. Is dat waarom het mij raakt? Misschien. Ik ben vooral heel blij. Blij dat er weer een Nederlandse wielrenner is die potten kan breken en kan verrassen met zijn attractieve rijstijl. In tegenstelling tot die andere belofte, Mollema, kan Gesink meer dan alleen aanklampen. Dat maakt hem tot een veel leukere renner.

Robert Gesink

Michel Wuyts, de Belgische wielercommentator, stelde dat Gesink de meest getalenteerde Nederlandse renner is van de afgelopen jaren. Hij heeft gelijk. Ik hoop dat dat talent er in deze Tour definitief uitkomt. Eén berg is te weinig om daar conclusies over te trekken. De bergetappes van vandaag en morgen zullen duidelijk maken of Gesink een eenmalige opleving had of op weg is naar een podiumplek in Parijs. Ik durf niet te hopen op het laatste, maar ik doe het toch.

De ploeg en de ploegentijdrit

Wielrennen is niet van start tot finish zo hard mogelijk fietsen. Het is namelijk geen individuele sport. Om de essentie van het wielrennen te kunnen begrijpen, moet je weten dat elke renner deel uitmaakt van een wielerploeg. Een ploeg bestaat doorgaans uit acht of negen renners. Als een renner een overwinning boekt, heeft hij dit vaak (deels) te danken aan zijn ploeggenoten die zich voor hem hebben opgeofferd. In het wielerjargon wordt dit knechten genoemd. Knechten dient niet verward te worden met samenwerken. Samenwerken suggereert een bepaalde gelijkwaardigheid. Knechten daarentegen is een nederige manier van zelfopoffering.

Het is spijtig maar waar; sommige renners offeren zich alleen maar op voor anderen en winnen zelf nooit. Het zijn de eeuwige knechten. Het omgekeerde is ook het geval: sommige renners winnen vaak en hoeven nooit te knechten. Dat zijn de kopmannen (meestal te herkennen aan een rugnummer dat eindigt op 1: 11, 21, 81, 151 etc.).

Binnen de ploeg wordt door verschillende renners geknecht om tot een zo goed mogelijk resultaat te komen. Dat kan van alles zijn: een etappeoverwinning, een hoge plaats in het klassement of een kleiner doel, zoals het terugbrengen van een renner in het peloton nadat deze gevallen is.

Ik beweerde dat wielrennen niet betekent dat je van start tot finish zo hard mogelijk fietst. Dat is niet helemaal waar. In een tijdrit is dit namelijk wèl waar het om gaat. Binnen de discipline van het tijdrijden zijn er twee vormen: de individuele tijdrit en de ploegentijdrit. Dit zijn vreemde eenden in de bijt van het wielrennen en wel om de volgende redenen: terwijl de ploegentijdrit de enige discipline is waarin de ploeg vooral samenwerkt, is bij het individuele tijdrijden de renner volledig op zichzelf aangewezen.

Ploegentijdrit Giro d'Italia 2012

In geen enkele discipline is er zoveel samenwerking en verbondenheid binnen een ploeg te zien als tijdens de ploegentijdrit. Negen renners (als de ploeg nog volledig is) rijden in een gestroomlijnde trein achter elkaar. De voorste rijdt vol in de wind en sleept de trein voort. Als hij moe wordt, laat hij zich terugzakken naar de laatste positie en neemt de man in tweede positie zijn rol over. Dit gaat zo door totdat de finish wordt bereikt en het wordt ‘draaien’ genoemd. De renners die ‘leeg’ zijn, blijven achterin de trein hangen. Door hun hand kort op het achterwerk te leggen van de renner die zich terug laat zakken, geven ze aan dat deze voor hen moet invoegen: ze draaien niet meer mee.

De ploegentijdrit. Heel even worden kopmannen gedegradeerd tot simpele pionnen die de trein draaiend moeten houden en heel even kunnen knechten zich hun gelijken wanen. Heel even is de hiërarchie verdwenen. Heel even.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Welkom bij de Fietsformule

Beste fietsfanaten en -leken,

Mijn vriendin begrijpt niets van wielrennen; ze denkt dat alle renners van start tot finish zo hard mogelijk fietsen en dat de beste vervolgens wint. Als dat werkelijk zo is, zou het kijken naar een wielerwedstrijd dodelijk saai zijn. Dan zou er geen sprake zijn van tactiek, wat het kijken naar een koers juist zo interessant maakt. Ook zou er niet geknecht worden, je zou geen waterdragers hebben en de ene renner zou de ander nooit uit de wind houden.

Als je een wielerleek bent, gaan deze termen voor jou misschien al te ver. Dat komt goed uit. Als je dit blog blijft volgen, zal je in korte tijd meer te weten komen over alles wat met wielrennen te maken heeft. In het beste geval ga je begrijpen waarom wielrennen zo’n mooie sport is en zul je op een gegeven moment op een willekeurige zondag in april voor de televisie gaan zitten om te genieten van de Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik of Parijs-Roubaix. In het slechtste geval heb je iets geleerd en kun je bij de koffieautomaat op het werk doen alsof je enig idee hebt waar je collega’s het over hebben als zij praten over de touretappe van de vorige dag.

Ondertussen wil ik graag mijn vriendin bedanken voor de aanleiding die zij mij heeft gegeven om dit blog te starten. Daarnaast wil ik over één ding heel duidelijk zijn: mijn vriendin is fantastisch en het niet houden van wielrennen is slechts een van de weinige slechte eigenschappen van haar.

Ik wens je veel plezier met het lezen van mijn blog.

Hartelijke groet,

Sjaak van Haaster

© Tekstbureau de Taalformule 2015