Hongerklop in Sauerland

Het was mijn eerste seizoen als wielrenner. Het seizoen waarin je jezelf als fietser nog moet leren kennen. Hoe hoog moet mijn zadel staan? Welke cadans bevalt me het best? Hoeveel kleding moet ik aan? Hoeveel eten heb ik nodig tijdens een tocht? Vragen waar ik inmiddels allang een antwoord op heb, maar toen moest ik dat nog allemaal ontdekken.

Hoe belangrijk de antwoorden op sommige van deze vragen zijn, ervoer ik voor het eerst tijdens een fietsweek in het Duitse Sauerland, waar ik destijds met een vriend alle noemenswaardige heuvels probeerde aan te vallen. Op de laatste dag stond de langste tocht gepland. Na veertig kilometer hadden we de zwaarste klim van de dag erop zitten en waren we net als de voorgaande dagen aan het uitkijken naar een restaurant om onze reserves aan te kunnen vullen. Alle tijd, want de dag was nog jong. Althans, dat dacht ik.

Het eerste dorpje waar we doorheen fietsten had een kerk, maar geen restaurant. Het tweede dorp idem dito. Het derde net zo. Het vierde etc. Toen ging bij mij het lampje uit. Hongerklop. Op dat moment wist ik zeker dat ik me nog nooit zo verschrikkelijk had gevoeld. Voor degene die niet weet wat hongerklop is of die niet weet hoe het voelt, het is het beste als volgt te omschrijven: de wereld mag vergaan, zolang je maar eten krijgt.

Helaas moesten we dat eten wel bovenop een berg gaan halen. Een vriendelijke Duitser (dat denk ik achteraf; als je hongerklop hebt, haat je iedereen, vooral Duitsers) had ons verteld dat zich daar een langlaufcentrum bevond. Maar… hij wist niet of het restaurant ervan geopend was. Aangezien het de eerste mogelijkheid was om iets te nuttigen in veertig kilometer, besloten we de gok te wagen. Vanaf de plek waar we stonden was het restaurant, tegen de berg aan gelegen, goed te zien. Een slingerend steil weggetje met een stijgingspercentage van zo’n 9% zou ons ernaartoe leiden.

IMG_3685Vloekend en scheldend begon ik naar boven te ploeteren. Zitten, staan, zitten, staan, verzuren, verbeten doortrappen, nog eens schelden, weer zitten. Misschien was dit allemaal wel voor niks. Op dat moment voor mij een ondraaglijke gedachte.

En toen deed ik iets wat ik tot dan toe nog nooit gedaan had: ik klikte mijn schoen uit het pedaal en zette mijn voet aan de grond. Minutenlang staarde ik leunend op mijn stuur naar het restaurant, dat nog steeds angstvallig ver weg leek. Het zou mijn verlossing worden óf een vreselijke teleurstelling die me mentaal naar de afgrond zou duwen. Het leek er uitgestorven.

Ik stapte weer op en worstelde mezelf op dezelfde manier als ervoor verder naar boven. “Kom op, verdomme, doortrappen”, zei ik tegen mezelf. Bij het langlaufcentrum aangekomen smeet ik mijn fiets kwaad tegen een bord aan. Robbert vroeg me iets. Ik negeerde hem en liep naar de deur.

Het was geopend. Ik liet me op een houten bank neerploffen en hing laveloos over de tafel. Tien minuten later zat ik een curryworst met patat naar binnen te werken. Eten was nog nooit zo lekker geweest. Na de maaltijd zwegen we. Op een pijnlijke manier had ik antwoord gekregen op één van de vragen die je jezelf als beginnende wielrenner stelt. Naar buiten starend dacht ik aan de veertig kilometer die nog afgelegd moesten worden.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s