Koud water, kippenvel en een leeg hoofd

Bijna altijd is tegen een berg op fietsen een strijd. Een strijd tegen je benen, tegen de wind, tegen de stijging van het asfalt of tegen de hitte (en dan vergeet ik vast nog een paar elementen). Hoe anders was het toen ik tijdens mijn fietsvakantie in Frankrijk met vrienden de Col du Glandon vanaf de noordkant aanviel. Tijdens andere zware beklimmingen ben ik vaak gestorven, ontelbare keren per klim soms. Ik denk dan aan de Stelvio, de Mortirolo, de Galibier en de Monte Zoncolan.

Maar niet op de Col du Glandon. Waar het aan gelegen heeft weet ik niet en waarschijnlijk zal ik dat ook nooit te weten komen. Ongeveer halverwege de twintig kilometer lange klim maakte een gelukzalig gevoel zich van mij meester. Mijn benen deden geen pijn, mijn ademhaling had ik onder controle en de cadans waarmee ik de pedalen ronddraaide was soepel en vlot. Ik zat in een flow.

Die flow, de adembenemende natuur om me heen en het koude water uit mijn bidon dat ik af en toe over mijn benen en mijn hoofd gooide en me in combinatie met de rijwind kortstondig kippenvel bezorgde, wekte een gelukzalig gevoel in me op. Nog nooit had ik me zo sterk en onoverwinnelijk gevoeld op welke klim van welke lengte dan ook, of misschien zelfs op welk moment in mijn leven dan ook. Van mij mocht de weg oneindig zo doorlopen en de zon eindeloos op mijn huid branden. Tranen van geluk brandden in mijn ogen. Ik wou dat dit gevoel voor eeuwig was.

Elke kilometer stond er een paaltje langs de weg dat het aantal kilometers tot de top en de gemiddelde stijging van de eerstvolgende kilometer aangaf. Dat soort paaltjes kunnen renners mentaal breken: wat?! Nog twaalf kilometer te gaan? Pff, ik heb nu al moeite om de trappers rond te krijgen. Even zo vaak zijn ze een mentale steun voor de tegen de bergwand ploeterende fietser: goddank, nog maar vier kilometer. Het einde van deze lijdensweg is in zicht.

Het tegenovergestelde gebeurde in mijn hoofd bij het voorbijgaan van de kilometerpaaltjes. Iedere kilometer dat ik dichter bij de top kwam, voelde ik een lichte teleurstelling. Het idee dat het moment waarop ik de top zou bereiken aanstaande was, stemde me ietwat droevig. Dat wat normaal gesproken de beloning is na een fysieke en mentale strijd, zou nu voor mij het einde van volstrekte fysieke en mentale harmonie betekenen.

Hoe hoger ik kwam, hoe steiler de weg werd. Een pIMG_20160708_165921aaltje kondigde een kilometer van 11% aan. Kom maar op met die percentages, dacht ik. Ik voel geen pijn, ik voel geen angst. Vastberaden duwde ik de pedalen naar beneden en liet ik het asfalt onder mijn fiets door glijden. Een paar honderd meter voor de top schakelde ik een aantal tanden bij, ging op mijn pedalen staan en trok vol door. Nog steeds voelde ik geen pijn of vermoeidheid.

Zoals iedereen heb ik in mijn leven kennisgemaakt met uiteenlopende emoties. Sommige prettiger dan andere. Daar zaten ook gevoelens bij die grensden aan geluk. Of het geluk wás, dat weet ik niet. Of ik nu wel weet wat geluk is, weet ik ook niet. Maar een leeg hoofd, koud water, een briesje en kippenvel op je benen, ik denk dat oprecht en puur geluk zó voelt.

Advertenties

Hij zei ‘u’ tegen mij…

Het was nog zo’n kilometer of zeven naar huis. Het laatste stuk zou ik de wind in de rug hebben en daar was ik maar wat blij mee. Met reeds negentig kilometer in de benen en een vorm die hoort bij het vroege voorjaar was ik nog niet zo goed bestand tegen dit onstuimige weer. Ik had me voorgenomen op het laatste stuk wat tempo te maken of wat daarvoor door zou moeten gaan.

Vlak voor een rotonde besloot ik de weg te nemen om twee fietsers te kunnen passeren die naast elkaar op het fietspad reden. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat een van de twee op een racefiets zat. Nou ja, het zou wat. Oke, nu alleen nog de rotonde links en dan was het knallen geblazen!

Terwijl ik de rotonde uitkwam, schakelde ik enkele tanden zwaarder en trok mijn fiets staand op de pedalen op gang. Bij het verlaten van de bebouwde kom schakelde ik nog een keer op en legde mijn armen op het stuur: de tijdrijdershouding. Vrijwel meteen voelde ik het zuur in mijn benen lopen, maar dat had ik ingecalculeerd. Bovendien was dit nog draaglijk.

Enkele honderden meters verder was een onoverzichtelijke zijweg van rechts. Om de goden niet te verzoeken, hield ik mijn benen stil en keek ik of er verkeer op komst was. Terwijl ik mijn hoofd naar rechts draaide, zag ik vanuit mijn ooghoek een schim achter mij. Ik schrok een beetje. Het was de jongen op de racefiets die ik een kilometer eerder via de weg gepasseerd was.

Nadat hij door mij was opgemerkt, kwam hij naast me fietsen. Hij zat op een oude, aftandse fiets met een verroeste ketting en afgebladerde lak. Een petje zat achterstevoren op zijn hoofd. Ik schatte hem een jaar of zestien. Hij vroeg: “Vindt u het goed als ik even met u mee fiets?” Mijn reactie was: “Ja natuurlijk, geen probleem.” Ik trok mezelf weer op gang tot ik mijn oorspronkelijke snelheid bereikt had en ging weer op mijn stuur liggen. De jongen verschanste zich in mijn wiel. De manier waarop hij mij aansprak, had iets vertederends. Er klonk respect in door. Na een tijdje vroeg ik hem: “Is het te doen zo?” “Ja hoor, rijdt u maar gewoon uw eigen tempo”, antwoordde hij.

Wat er toen in mijn hoofd gebeurde, begrijp ik niet zo goed en ik ben er ook niet trots op. Ik dacht: “Jou ga ik er even afknallen, jochie.” Misschien dwong zijn ontzag mij om daar een gepaste prestatie tegenover te zetten die dat ontzag moest rechtvaardigen. Hoe dan ook, ik schakelde weer een tand bij. Ik nam een diepere zit aan en maalde mijn pedalen rond met benen die langzaam volliepen. Om de zoveel seconden wierp ik tussen mijn armen door een blik naar achteren om te constateren dat hij nog steeds in mijn wiel zat. Nog eens opschakelen. Mijn hartslag was hoger dan wenselijk en mijn benen pijnlijker. Nog zo’n driehonderd meter te gaan tot aan het stoplicht. Pas daar zou ik mezelf toestaan om snelheid te minderen. Die driehonderd meter voelden als driehonderd kilometer. Dertig meter voor de kruising zag ik het verkeerslicht op groen springen. Ik wilde doortrappen, maar het ging niet meer. Het viaduct na het stoplicht zou sowieso te veel voor me zijn. Ik hield mijn benen stil en zag de jongen langszij komen. Ging hij me nu vernederen?

Wat dacht ik toch slecht over mensen. In plaats van mij zonder mededogen achter te laten (wat de meeste wielrenners zouden doen), knoopte hij een praatje met me aan. Volstrekt buiten adem vroeg ik hem waar hij heen ging. Hij moest naar Zutphen. Hij was zestien jaar en zat op dezelfde school als waar ik vroeger op had gezeten. Over enkele weken had hij examens. Of hij veel fietste? Nou, zijn ouders waren gescheiden dus hij fietste veel tussen het dorp van zijn moeder en dat van zijn vader heen en weer. Wat een aardige jongen! Hij kon me toch gewoon tutoyeren? Jawel, maar tegen de docenten op school was hij ook gewend om ‘u’ te zeggen. Bij de rotonde namen we afscheid. Ik wenste hem veel succes met zijn examens.

Met een hoofd vol schaamte fietste ik het laatste stukje naar huis. Waarom toch de behoefte hebben om zo’n aardige jongen eraf te rijden? Op een racefiets zitten doet rare dingen met een mens.

 

 

 

Waarom ik geen profwielrenner zou kunnen zijn

Aangeslagen lig ik op straat. Mijn linkerschoen zit nog vast in het pedaal. Het achterwiel draait langzaam rond en maakt een zacht tikkend geluid. Mijn ogen heb ik dicht. Als ik ze open, zie ik een strakblauwe lucht. Ik til mijn arm op en houd hem voor mijn gezicht. Een bebloede hand met een loshangend stuk huid ter grootte van een 2-euromunt verschijnt voor mijn ogen. Ik zucht. “Gaat het?”, klinkt het boven me. “Jawel”, zeg ik op een niet erg overtuigende manier. Doorfietsen wil ik niet. In de weken die volgen zal ik angstig op de fiets zitten.

De schade moet worden opgemaakt. Mijn sleutelbenen zijn nog heel, zoveel is duidelijk. Wel ligt mijn hand lelijk open en heb ik diepe schaafwonden op m’n heup, knie en elleboog. Dat zal straks nog leuk worden tijdens het douchen.

Nadat ik thuis ben aangekomen maakt mijn vriendin de wonden schoon met jodium. Ik bijt op mijn tanden. Met een aardappelschilmesje snijdt ze heel secuur het loshangende stuk vel eraf. Ik kijk met afgrijzen de andere kant op. Om de schaafwonden te ontzien loop ik de rest van de dag naakt door het huis. Gelukkig is mijn vriendin loyaal aan mij en doet zij hetzelfde.

Maarten Tjallingii reed ooit een Touretappe uit met een gebroken heup. Wout Poels probeerde ooit door te fietsen met een gescheurde nier, een gescheurde milt, gekneusde longen en drie gebroken ribben. Het prikkeldraaddrama van Johnny Hoogerland kennen we allemaal. Om nog maar te zwijgen over de ontelbare keren dat ik renners na een valpartij binnen tien seconden weer op de fiets zag springen.

Opeens realiseer ik me: ik zou nooit een profwielrenner kunnen zijn.

Begrijp me niet verkeerd; er zijn héél veel redenen waarom ik nooit een profwielrenner zou kunnen zijn. Naast het feit dat ik te laat begonnen ben met fietsen en reeds de dertig ben gepasseerd, mis ik ook alle andere eigenschappen waar je over moet beschikken om als prof uit de voeten te kunnen. Ik ben namelijk maar een middelmatige amateur. Als het regent, daal ik als een natte krant. Daarnaast ontbeer ik discipline, gezonde gewoontes, het vermijden van uitgaansgelegenheden en bovenal het fietsen met een gemiddelde snelheid boven de 32 kilometer per uur.

Maar zelfs als ik dat allemaal wel zou kunnen, dan is er nog steeds dat vallen. Vreselijk. Misschien kun je het leren of bouw je als prof een bepaalde immuniteit op voor ‘aangeslagenheid’ bij valpartijen. Hoe het ook zij, aan mij is het niet besteed.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Op de Champs-Élysées in 1998

Veertien was ik en gek van wielrennen. Mijn grote held was Marco Pantani, de Italiaan met de flaporen, het kale hoofd en de bandana. Het was 1998. Ik liep met mijn vader door de straten van Parijs. Het WK voetbal in Frankrijk was afgelopen en gewonnen door het gastland. Op elk trottoir lagen t-shirts uitgespreid met de beeltenis van Zinedine Zidane erop. “Ik kan die kop niet meer zien”, hoorde ik mijn vader meermaals mompelen. Het strafschoppendrama in de halve finale tegen Brazilië lag nog vers in ons geheugen.

Uit de schaduw van het WK ontpopte zich in datzelfde Frankrijk een in alle opzichten memorabele tour; de ‘dopingtour’. Daarvoor waren we in Parijs. Nou ja, niet voor de doping, wel voor de tour. Mijn grote held reed in het geel en ik zou hem gaan zien op de Champs-Élysées. Enkele dagen daarvoor had Pantani in barre weersomstandigheden de concurrentie het nakijken gegeven op de Galibier om vervolgens solo aan te komen op Les Deux Alpes. Jan Ullrich viel ten prooi aan een hongerklop, gaf negen minuten toe en moest het geel afstaan aan de Italiaan.

Voor 11 uur wilden we een plekje vooraan bemachtigen bij de dranghekken op de Champs-Élysées. Naar verluidt zou het vier rijen dik staan tegen de tijd dat de renners voor het eerst zouden passeren. Daar stonden we dan om 11 uur ’s ochtends, in het gezelschap van twee Engelsen en een Nederlander die we op de camping hadden ontmoet. De Engelsen maakten sympathieke Engelse grappen, zoals alleen Engelsen dat kunnen. Ik begreep hun grappen niet, maar ik vond hen aardig. De Nederlander doodde de tijd met het eten van Marsen, waarvan de caramel met lange slierten in zijn baard bleef hangen. Ik plaatste afwisselend mijn linker- en rechtervoet tegen het dranghek, naar gelang de vermoeidheid in mijn benen aangaf dat ik van standbeen moest wisselen.

En wachten…

Ondertussen stond het twee rijen dik en mijn plek verlaten om te plassen was geen optie meer. De leden van de Cédric Vasseur-fanclub kwamen voorbij, de naam van hun idool luid scanderend.

En maar wachten…

Toen het drie rijen dik werd, kwamen de eerste gendarmes tevoorschijn. Er werd er een recht voor onze neus geplaatst. Mijn vader en de Engelsen probeerden hem zover te krijgen om enkele meters verderop te gaan staan. Not in my backyard, zullen de Engelsen gedacht hebben. Veiligheid prima, maar niet in ons gezichtsveld. Wat ook meespeelde, was dat de gendarme met zijn gezicht naar ons toe stond. In plaats van getuige te zijn van een wielerspektakel dreigden we urenlang te moeten kijken naar het chagrijnige hoofd van een Franse gendarme. Na lang discussiëren was de agent bereid om een stapje naar links dan wel rechts te zetten. Franse flexibiliteit.

En nog meer wachten…

Het zal een uur of drie zijn geweest toen de reclamekaravaan passeerde. Mooie vrouwen gooiden waardeloze rommel uit reclameauto’s. Ik zag volwassen mannen vechten om bidons, sleutelhangers en andere prullaria.

Nog een uur wachten…

Rond vier uur kwam voor het eerst een wielrenner voorbij, Pascal Chanteur. Kent iemand hem nog? De onbetekenende Fransman zag zijn kans schoon om zichzelf voor eigen publiek wat in de kijker te fietsen, om vervolgens onherroepelijk te worden opgeslokt door het peloton. Het peloton, daar wachtte ik op. Terwijl het passeerde, probeerde ik een glimp van mijn held op te vangen. Plots zag ik hem: in de gele trui, met grote oren en een azuurblauwe bandana op zijn hoofd. Pantani zat verscholen in de buik van het peloton. Terwijl de massa voorbij denderde, bleven mijn ogen gefocust op de Italiaan. Hij was mijn held en ik wilde hem zo lang mogelijk zien. Ook tijdens de rondes die volgden, had ik alleen oog voor Pantani. Het was al die uren wachten waard geweest.

Na die Tour kwam de carrière van Pantani in een neerwaartse spiraal terecht. Hij werd in 1999 als klassementsleider op de voorlaatste dag uit de Ronde van Italië gezet wegens vermeend dopinggebruik, in de tour van 2000 werd hij op de Mont Ventoux vernederd door Lance Armstrong en in de jaren erna werd hij voorbij gereden door ploegmaat Stefano Garzelli. Ik had Marco Pantani op zijn hoogtepunt gezien.

Het overlijden van bekende mensen raakt mij nooit. Hoe anders was dat bij de tragische dood van Marco Pantani in een hotel in Rimini in 2004. Hij nam eePantanin overdosis cocaïne. Nee, huilen deed ik niet. Echt verdrietig was ik ook niet. Meer melancholisch. Lange tijd wist ik niet waarom. Nu weet ik het. Bij de dood van Marco Pantani nam ik niet alleen afscheid van mijn jeugdidool. Ik nam ook afscheid van die mooie dag in 1998 op de Champs-Élysées.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Als de wetmatigheid is verdwenen

Een hele week bergen bedwingen in de Italiaanse Alpen, dat was het plan en zo geschiedde het. Vanuit Bormio, het walhalla voor de toerfietser dat ingesloten ligt tussen twee alpenreuzen, de Stelvio en de Gavia, gingen mijn fietsmaatjes en ik bergen aanvallen.

Iedere enigszins ervaren fietser weet dat je op veel verschillende manieren kunt lijden en sterven. Op de eerste dag werden we in de afdaling van de Foscagno overvallen door een genadeloze hagelbui. Angstig en met verkrampte vingers van de kou ging ik als een oud wijf naar beneden. In de laatste dertig kilometer van diezelfde dag hoefde er niet meer geklommen te worden. Wel moesten er nog evenzoveel vals platte kilometers overbrugd worden om Bormio te bereiken. Hier ging bij mij langzaam het lampje uit.

Op de tweede fietsdag stond de Stelvio tweemaal op het programma. Eerst zouden we de imposante klim, die tot 2758 meter reikt, vanuit Bormio beklimmen, vervolgens via de Umbrailpas afdalen (waarvan drie kilometer onverhard is) om daarna vanuit Prato de Stelvio voor de tweede keer die dag te beklimmen, maar nu via de beroemde en beruchte kant met de 48 haarspeldbochten.

Als je vaak met dezelfde mensen fietst, zijn de verhoudingen op een gegeven moment vastgesteld. De één is altijd als eerste boven, de ander rijdt op het vlakke steevast de rest aan gort. Maar na 2500 hoogtemeters en 80 kilometer in het hooggebergte kun je hier niet meer op vertrouwen. Tijdens de tweede klim van de Stelvio merkte ik dat er aan het eind van een lange fietsdag geen wetmatigheid meer is.

Soms wil je als eerste boven zijn of dat op zijn minst proberen en soms wil je gewoon ‘lekker ontspannen naar boven peddelen’. De frisheid van de benen is een belangrijke factor bij het kiezen voor het een of het ander. Al heb je slechte benen, als fietser zul je dat nooit als excuus gebruiken om het op een klim rustig aan te doen. Nee, rustig aan doen moet voor de anderen altijd een bewuste keuze lijken en niet een kwestie zijn van niet harder kunnen.

Ik voelde aan het begin van de klim al dat het zinloos was om de strijd met de klimgeiten aan te gaan. Daarom besloot ik de vertrouwde verhoudingen te laten voor wat het was en met Alexander samen naar boven te ‘peddelen’. De wetmatigheid die hier van toepassing is: ik ben tien kilo lichter en in goeden doen daarom doorgaans sneller bergop. Ik wilde het lot echter niet tarten en dit leek me een veilige keuze. Daarnaast is samen fietsen tijdens een klim altijd gezellig. Gedeelde smart en zo, je kent het wel.

Halverwege de klim merkte ik dat ik honger kreeg. Ik besloot een fruitreepje te nemen. In de worsteling die ontstond bij het openmaken van de verpakking moest ik een klein gaatje laten met Alexander. Door de combinatie van fysieke inspanning en eten zakte mijn tempo wat in, waardoor dat gaatje een serieus gat van een meter of tien werd. Ik maakte me daar echter geen zorgen over; een kwartier ervoor had Alexander nog aangegeven dat hij mijn wiel zou moeten loslaten als ik mijn tempo niet iets zou laten zakken. Aangezien ik geen zin had om nog vijftien kilometer alleen naar boven te ploeteren, hield ik in. Het zou dus geen probleem zijn om het zojuist ontstane gat weer dicht te rijden als ik klaar was met eten. Dacht ik.

Dat viel tegen. Hoe hard ik ook mijn best deed, ik kwam niet dichterbij. Tien meter werd vijftien meter en vijftien meter werd twintig meter. Ik kon niet harder. Worstelend met de grenzen van mijn fysiek en de haarspeldbochten aftellend zwoegde ik naar boven. Harder dan tien kilometer per uur ging het niet meer. Alleen in de verte kon ik Alexander nog zien fietsen.

Naarmate ik hoger kwam, voelde ik de lucht koeler worden. Ik kreeg kippenvel. De rits van mijn open shirt wapperde tegen mijn rug aan. Mijn benen deden pijn. Iedere volgende haarspeld bereiken was een strijd, maar het was mijn strijd. Zelden voelde ik me zo ellendig en gelukkig tegelijk.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Hongerklop in Sauerland

Het was mijn eerste seizoen als wielrenner. Het seizoen waarin je jezelf als fietser nog moet leren kennen. Hoe hoog moet mijn zadel staan? Welke cadans bevalt me het best? Hoeveel kleding moet ik aan? Hoeveel eten heb ik nodig tijdens een tocht? Vragen waar ik inmiddels allang een antwoord op heb, maar toen moest ik dat nog allemaal ontdekken.

Hoe belangrijk de antwoorden op sommige van deze vragen zijn, ervoer ik voor het eerst tijdens een fietsweek in het Duitse Sauerland, waar ik destijds met een vriend alle noemenswaardige heuvels probeerde aan te vallen. Op de laatste dag stond de langste tocht gepland. Na veertig kilometer hadden we de zwaarste klim van de dag erop zitten en waren we net als de voorgaande dagen aan het uitkijken naar een restaurant om onze reserves aan te kunnen vullen. Alle tijd, want de dag was nog jong. Althans, dat dacht ik.

Het eerste dorpje waar we doorheen fietsten had een kerk, maar geen restaurant. Het tweede dorp idem dito. Het derde net zo. Het vierde etc. Toen ging bij mij het lampje uit. Hongerklop. Op dat moment wist ik zeker dat ik me nog nooit zo verschrikkelijk had gevoeld. Voor degene die niet weet wat hongerklop is of die niet weet hoe het voelt, het is het beste als volgt te omschrijven: de wereld mag vergaan, zolang je maar eten krijgt.

Helaas moesten we dat eten wel bovenop een berg gaan halen. Een vriendelijke Duitser (dat denk ik achteraf; als je hongerklop hebt, haat je iedereen, vooral Duitsers) had ons verteld dat zich daar een langlaufcentrum bevond. Maar… hij wist niet of het restaurant ervan geopend was. Aangezien het de eerste mogelijkheid was om iets te nuttigen in veertig kilometer, besloten we de gok te wagen. Vanaf de plek waar we stonden was het restaurant, tegen de berg aan gelegen, goed te zien. Een slingerend steil weggetje met een stijgingspercentage van zo’n 9% zou ons ernaartoe leiden.

IMG_3685Vloekend en scheldend begon ik naar boven te ploeteren. Zitten, staan, zitten, staan, verzuren, verbeten doortrappen, nog eens schelden, weer zitten. Misschien was dit allemaal wel voor niks. Op dat moment voor mij een ondraaglijke gedachte.

En toen deed ik iets wat ik tot dan toe nog nooit gedaan had: ik klikte mijn schoen uit het pedaal en zette mijn voet aan de grond. Minutenlang staarde ik leunend op mijn stuur naar het restaurant, dat nog steeds angstvallig ver weg leek. Het zou mijn verlossing worden óf een vreselijke teleurstelling die me mentaal naar de afgrond zou duwen. Het leek er uitgestorven.

Ik stapte weer op en worstelde mezelf op dezelfde manier als ervoor verder naar boven. “Kom op, verdomme, doortrappen”, zei ik tegen mezelf. Bij het langlaufcentrum aangekomen smeet ik mijn fiets kwaad tegen een bord aan. Robbert vroeg me iets. Ik negeerde hem en liep naar de deur.

Het was geopend. Ik liet me op een houten bank neerploffen en hing laveloos over de tafel. Tien minuten later zat ik een curryworst met patat naar binnen te werken. Eten was nog nooit zo lekker geweest. Na de maaltijd zwegen we. Op een pijnlijke manier had ik antwoord gekregen op één van de vragen die je jezelf als beginnende wielrenner stelt. Naar buiten starend dacht ik aan de veertig kilometer die nog afgelegd moesten worden.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Ode aan de echte amateur

Acht jaar geleden ben ik begonnen met wielrennen. Ik begon zoals waarschijnlijk velen dat doen: ik kocht een tweedehands stalen fiets met toeclips (u weet wel, die pedalen met leren riempjes om je schoenen in te steken) en een schakelsysteem op het frame. Links en rechts kreeg ik wat oude, afgedankte kleding aangereikt. De rondjes die ik reed, overschreden zelden de dertig kilometer en een gemiddelde van 27 kilometer per uur vond ik al heel wat.

Wielrennen is de meest materialistische en ijdele sport die er is. Ik kreeg nooit commentaar op mijn voorkomen, maar toch voelde ik de afkeuring als ik met andere fietsers samen reed. Wielrenners doen dat. Ze kraken jou niet af, maar pochen zoveel over hun eigen fiets en kleding, dat je vanzelf het idee krijgt dat je voor lul rijdt. En bovenal: je wordt niet serieus genomen.

Ik had sterk kunnen zijn, me er niks van aan kunnen trekken en gewoon op dezelfde (betaalbare!) manier door kunnen gaan. Maar helaas, ik ben voor de bijl gegaan. Het begon met een andere fiets (nog steeds tweedehands overigens, de metamorfose gaat in stapjes). Bij de fiets moest een bijpassend kledingsetje komen. De toeclips verruilde ik voor klikpedalen en het schakelen ging vanaf nu met de shifters op het stuur.

Ergens in dit proces kwam dé kritieke vraag bovendrijven: ga ik mijn benen scheren? In het begin van mijn ‘carrière’ peinsde ik er niet over. Je benen scheren is te veel gedoe, volstrekt nutteloos en bovendien ontzettend gay, althans, als ik mijn vrienden mag geloven. Maar ja, veel wielrenners doen het en zittend op de fiets staat het veel beter, toch? Ik verloor het van de ijdelheid. Vier jaar geleden heb ik voor het eerst mijn beenhaar verwijderd en sindsdien is het vaste prik geworden.

Zelfs toen was het einde van mijn metamorfose nog niet in zicht. Tegenwoordig rijd ik op een carbonfiets, gebruik ik gelletjes als ik lange afstanden rijd (helpen ze echt?) en zijn mijn fiets, shirt, broek, schoenen en helm qua kleur in perfecte harmonie met elkaar. Ik voel me er een betere fietser door, maar dat ben ik natuurlijk niet. Met andere woorden, ik kan niet zo goed uitleggen waarom ik het allemaal doe.

Je ziet ze nog regelmatig. De echte amateurs. Ze rijden op een blauwe fiets met een stalen frame, dragen een groen shirt met een rode broek en hebben behaarde benen. Ze rijden hun rondjes waarschijnlijk met net zo veel plezier als ik en ik rijd ze er lang niet allemaal af. En al lukt dat wel, dan nog weet ik dat ze op een ander vlak sterker zijn dan ik: ze zijn niet gezwicht voor de ijdelheid. Alleen al dat verdient respect. Via deze weg wil ik hen laten weten dat ik absoluut niet op ze neerkijk. Integendeel. Stiekem bewonder ik ze.

Welkom bij de Fietsformule

Beste fietsfanaten en -leken,

Mijn vriendin begrijpt niets van wielrennen; ze denkt dat alle renners van start tot finish zo hard mogelijk fietsen en dat de beste vervolgens wint. Als dat werkelijk zo is, zou het kijken naar een wielerwedstrijd dodelijk saai zijn. Dan zou er geen sprake zijn van tactiek, wat het kijken naar een koers juist zo interessant maakt. Ook zou er niet geknecht worden, je zou geen waterdragers hebben en de ene renner zou de ander nooit uit de wind houden.

Als je een wielerleek bent, gaan deze termen voor jou misschien al te ver. Dat komt goed uit. Als je dit blog blijft volgen, zal je in korte tijd meer te weten komen over alles wat met wielrennen te maken heeft. In het beste geval ga je begrijpen waarom wielrennen zo’n mooie sport is en zul je op een gegeven moment op een willekeurige zondag in april voor de televisie gaan zitten om te genieten van de Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik of Parijs-Roubaix. In het slechtste geval heb je iets geleerd en kun je bij de koffieautomaat op het werk doen alsof je enig idee hebt waar je collega’s het over hebben als zij praten over de touretappe van de vorige dag.

Ondertussen wil ik graag mijn vriendin bedanken voor de aanleiding die zij mij heeft gegeven om dit blog te starten. Daarnaast wil ik over één ding heel duidelijk zijn: mijn vriendin is fantastisch en het niet houden van wielrennen is slechts een van de weinige slechte eigenschappen van haar.

Ik wens je veel plezier met het lezen van mijn blog.

Hartelijke groet,

Sjaak van Haaster

© Tekstbureau de Taalformule 2015