Waarom ik geen profwielrenner zou kunnen zijn

Aangeslagen lig ik op straat. Mijn linkerschoen zit nog vast in het pedaal. Het achterwiel draait langzaam rond en maakt een zacht tikkend geluid. Mijn ogen heb ik dicht. Als ik ze open, zie ik een strakblauwe lucht. Ik til mijn arm op en houd hem voor mijn gezicht. Een bebloede hand met een loshangend stuk huid ter grootte van een 2-euromunt verschijnt voor mijn ogen. Ik zucht. “Gaat het?”, klinkt het boven me. “Jawel”, zeg ik op een niet erg overtuigende manier. Doorfietsen wil ik niet. In de weken die volgen zal ik angstig op de fiets zitten.

De schade moet worden opgemaakt. Mijn sleutelbenen zijn nog heel, zoveel is duidelijk. Wel ligt mijn hand lelijk open en heb ik diepe schaafwonden op m’n heup, knie en elleboog. Dat zal straks nog leuk worden tijdens het douchen.

Nadat ik thuis ben aangekomen maakt mijn vriendin de wonden schoon met jodium. Ik bijt op mijn tanden. Met een aardappelschilmesje snijdt ze heel secuur het loshangende stuk vel eraf. Ik kijk met afgrijzen de andere kant op. Om de schaafwonden te ontzien loop ik de rest van de dag naakt door het huis. Gelukkig is mijn vriendin loyaal aan mij en doet zij hetzelfde.

Maarten Tjallingii reed ooit een Touretappe uit met een gebroken heup. Wout Poels probeerde ooit door te fietsen met een gescheurde nier, een gescheurde milt, gekneusde longen en drie gebroken ribben. Het prikkeldraaddrama van Johnny Hoogerland kennen we allemaal. Om nog maar te zwijgen over de ontelbare keren dat ik renners na een valpartij binnen tien seconden weer op de fiets zag springen.

Opeens realiseer ik me: ik zou nooit een profwielrenner kunnen zijn.

Begrijp me niet verkeerd; er zijn héél veel redenen waarom ik nooit een profwielrenner zou kunnen zijn. Naast het feit dat ik te laat begonnen ben met fietsen en reeds de dertig ben gepasseerd, mis ik ook alle andere eigenschappen waar je over moet beschikken om als prof uit de voeten te kunnen. Ik ben namelijk maar een middelmatige amateur. Als het regent, daal ik als een natte krant. Daarnaast ontbeer ik discipline, gezonde gewoontes, het vermijden van uitgaansgelegenheden en bovenal het fietsen met een gemiddelde snelheid boven de 32 kilometer per uur.

Maar zelfs als ik dat allemaal wel zou kunnen, dan is er nog steeds dat vallen. Vreselijk. Misschien kun je het leren of bouw je als prof een bepaalde immuniteit op voor ‘aangeslagenheid’ bij valpartijen. Hoe het ook zij, aan mij is het niet besteed.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s