Neerlands glorie

Als blogger bepaal je zelf over welke onderwerpen je iets wilt schrijven. Althans, meestal. Soms móét je ergens iets over schrijven, bijvoorbeeld omdat je iets hebt gezien dat uniek is of omdat je er gevoelsmatig niet omheen kunt. Dat laatste is nu het geval.

Enkele weken geleden heb ik proberen uit te leggen waarom de Ronde van Spanje veel mooier is dan haar Franse variant: een gevarieerder parcours, meer spektakel en eveneens een sterk deelnemersveld. Zo sterk echter als de internationale vertegenwoordiging vooraf leek in deze Vuelta, zo zwak was op papier de Nederlandse inbreng. Alle renners die in de bergen of voor het klassement een rol zouden kunnen spelen, lieten de Vuelta aan zich voorbij gaan: Gesink, Mollema, Ten Dam, Kruijswijk, Kelderman, Poels. Nee, de Nederlanders leken in deze Ronde van Spanje vooral te gaan schitteren door afwezigheid. Gelukkig had ik het heel erg mis.

Wie mij vooraf hTom Dumoulinad verteld dat Bert-Jan Lindeman een bergetappe zou gaan winnen, had ik midden in zijn gezicht uitgelachen. Nog verbazingwekkender is het dat momenteel een Nederlander de rode leiderstrui draagt, terwijl de Vuelta al halverwege is en er al meerdere bergen bedwongen zijn. Tom Dumoulin toonde afgelopen zondag een ongekende veerkracht door in de laatste paar meters Rodriguez en Froome in een sprint bergop af te troeven (zie hier de links naar beide fragmenten op Youtube met opzwepend Engels commentaar: Dumoulin troeft Rodriguez en Froome af en Bert-Jan Lindeman wint bergetappe Vuelta). Ik kreeg er kippenvel van.

De laatste keer dat ik getuige was van twee Nederlandse etappeoverwinningen in een grote ronde kan ik mij niet heugen. Uit het blote hoofd: de Tour de France in 2000, waarin Erik Dekker drie etappes won? Mijn nationalistische gevoelens krijgen zelden de overhand, maar soms moet ik ze door middel van een blogpost even eruit laten. Tegen iedereen voor wie Nederlands succes een extra motivatie is om naar sport te kijken zou ik willen zeggen: ga nú voor de televisie zitten en zet hem op de Belg! Vandaag is de koninginnenrit in de Vuelta, waarin zes bergen beklommen moeten worden. Als Dumoulin vandaag overleeft, kan hij serieus na gaan denken over de eindzege in een grote ronde. De laatste keer dat een Nederlander dat presteerde? Joop Zoetemelk in 1980.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Advertenties

Ironie in de koers

Ik houd van tactische wielrenners. Renners die de wedstrijd kunnen lezen en door een intelligente manier van koersen tijd of een etappe winnen. Om die reden ben ik altijd een groot fan van de Italiaan Vincenzo Nibali geweest. Tot vandaag.

Vandaag werd de tweede etappe in de ronde van Spanje verreden. Door een valpartij had Nibali 16 kilometer voor de streep een achterstand van anderhalve minuut op zijn concurrenten. Aangezien de renners in de achtervolgende groep hemzelf het werk lieten opknappen (lees: op kop lieten rijden), moest de noodzakelijke hulp van elders komen. En die kwam er. Op beelden die vanuit de helikopter gemaakt zijn, is duidelijk te zien hoe de ploegleiderswagen van Astana naast hem komt rijden en de Italiaan vervolgens op miraculeuze wijze een voorsprong pakt van enkele honderden meters op het groepje renners waar hij vlak daarvoor nog deel van uitmaakte. Die beelden waren niet live te zien (maar wel op nos.nl: Vincenzo Nibali hangt aan ploegleiderswagen tijdens 2e etappe Vuelta). Vervolgens slaagt Nibali erin om met hulp van zijn ploeggenoten aan te sluiten bij de groep der favorieten.

De blijdschap hierover duurde echter niet lang. Hij verloor tijd ten opzichte van de andere favorieten op de slotklim én hij werd gediskwalificeerd voor het ‘auto-incident’ en kan dus al na de tweede etappe naar huis. Hij kwam als één van de kanshebbers voor de eindzege naar Spanje, maar moet de Vuelta nu via de achterdeur verlaten.

En nu komt het ironische: aan het eind van de etappe, op een bescheiden slotklim van 5 kilomVincenzo Nibalieter à 6% gemiddeld, verloor Nibali, als gevolg van de inspanning die hij ervoor had moeten leveren om terug te komen in de groep met favorieten, op zijn concurrenten anderhalve minuut. Anderhalve minuut. Je leest het goed. Dat is precies de tijd die hij als achterstand had, voordat hij rare fratsen ging uithalen naast de ploegleiderswagen. Met andere woorden, als hij dat niet gedaan had, was zijn achterstand ongeveer hetzelfde geweest. Ironie bestaat, ook in de sport. Goddank.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Hongerklop in Sauerland

Het was mijn eerste seizoen als wielrenner. Het seizoen waarin je jezelf als fietser nog moet leren kennen. Hoe hoog moet mijn zadel staan? Welke cadans bevalt me het best? Hoeveel kleding moet ik aan? Hoeveel eten heb ik nodig tijdens een tocht? Vragen waar ik inmiddels allang een antwoord op heb, maar toen moest ik dat nog allemaal ontdekken.

Hoe belangrijk de antwoorden op sommige van deze vragen zijn, ervoer ik voor het eerst tijdens een fietsweek in het Duitse Sauerland, waar ik destijds met een vriend alle noemenswaardige heuvels probeerde aan te vallen. Op de laatste dag stond de langste tocht gepland. Na veertig kilometer hadden we de zwaarste klim van de dag erop zitten en waren we net als de voorgaande dagen aan het uitkijken naar een restaurant om onze reserves aan te kunnen vullen. Alle tijd, want de dag was nog jong. Althans, dat dacht ik.

Het eerste dorpje waar we doorheen fietsten had een kerk, maar geen restaurant. Het tweede dorp idem dito. Het derde net zo. Het vierde etc. Toen ging bij mij het lampje uit. Hongerklop. Op dat moment wist ik zeker dat ik me nog nooit zo verschrikkelijk had gevoeld. Voor degene die niet weet wat hongerklop is of die niet weet hoe het voelt, het is het beste als volgt te omschrijven: de wereld mag vergaan, zolang je maar eten krijgt.

Helaas moesten we dat eten wel bovenop een berg gaan halen. Een vriendelijke Duitser (dat denk ik achteraf; als je hongerklop hebt, haat je iedereen, vooral Duitsers) had ons verteld dat zich daar een langlaufcentrum bevond. Maar… hij wist niet of het restaurant ervan geopend was. Aangezien het de eerste mogelijkheid was om iets te nuttigen in veertig kilometer, besloten we de gok te wagen. Vanaf de plek waar we stonden was het restaurant, tegen de berg aan gelegen, goed te zien. Een slingerend steil weggetje met een stijgingspercentage van zo’n 9% zou ons ernaartoe leiden.

IMG_3685Vloekend en scheldend begon ik naar boven te ploeteren. Zitten, staan, zitten, staan, verzuren, verbeten doortrappen, nog eens schelden, weer zitten. Misschien was dit allemaal wel voor niks. Op dat moment voor mij een ondraaglijke gedachte.

En toen deed ik iets wat ik tot dan toe nog nooit gedaan had: ik klikte mijn schoen uit het pedaal en zette mijn voet aan de grond. Minutenlang staarde ik leunend op mijn stuur naar het restaurant, dat nog steeds angstvallig ver weg leek. Het zou mijn verlossing worden óf een vreselijke teleurstelling die me mentaal naar de afgrond zou duwen. Het leek er uitgestorven.

Ik stapte weer op en worstelde mezelf op dezelfde manier als ervoor verder naar boven. “Kom op, verdomme, doortrappen”, zei ik tegen mezelf. Bij het langlaufcentrum aangekomen smeet ik mijn fiets kwaad tegen een bord aan. Robbert vroeg me iets. Ik negeerde hem en liep naar de deur.

Het was geopend. Ik liet me op een houten bank neerploffen en hing laveloos over de tafel. Tien minuten later zat ik een curryworst met patat naar binnen te werken. Eten was nog nooit zo lekker geweest. Na de maaltijd zwegen we. Op een pijnlijke manier had ik antwoord gekregen op één van de vragen die je jezelf als beginnende wielrenner stelt. Naar buiten starend dacht ik aan de veertig kilometer die nog afgelegd moesten worden.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Weg met de Tour!

Als wielerfan zou je het bijna vergeten, maar er zijn drie grote rondes. Naast de Tour de France heb je namelijk ook nog de Giro d’Italia en de Vuelta a Espana. Terwijl in Nederland alle etappes van de Tour worden uitgezonden, is er voor de Giro en Vuelta vrijwel geen aandacht. En dat is ontzettend jammer, want doorgaans zijn deze twee rondes een stuk spannender, hebben ze een spectaculairder parcours en houden ze minder vast aan tradities.

Vreselijk eigenlijk, die voorspelbaarheid in de Tour de France. Dit jaar zag ik de renners voor de zoveelste keer de Alpe d’Huez opgaan. Ook de Tourmalet en de Galibier worden bijna om het jaar beklommen. Je zou bijna denken dat er in Frankrijk geen andere bergen zijn. Ook moet je ieder jaar weer een week wachten op de eerste serieuze aankomst bergop. Om maar te zwijgen over die vreselijke laatste etappe naar Parijs, waarin er altijd zo nodig met champagne geproost moet worden en allerlei andere flauwe onzinnigheden plaatsvinden die niks met wielrennen te maken hebben. Want ja, het klassement staat al vast, dus het publiek moet op een andere manier vermaakt worden.

Nee, neem dan de Giro en de Vuelta. Bij het kijken naar deze twee rondes ben je verzekerd van een spectaculair parcours, een verrassend koersverloop en afwisselende etappes. Bergen als de Zoncolan en de AnAnglirugliru, die de stijgingspercentages van 20% regelmatig overstijgen en maken dat de renners zich zwalkend over het asfalt voortbewegen, zijn altijd weer een garantie voor spektakel. In de Giro worden met enige regelmaat onverharde wegen opgezocht en in de Vuelta weten ze altijd wel ergens een finishplaats te vinden met een belachelijk steile muur, waardoor het peloton na 200 kilometer alsnog volledig uit elkaar wordt getrokken. Zo vernieuwend als men is in Spanje en Italië, zo conservatief is men in Frankrijk.

Gelukkig kan ik dit bericht afsluiten met goed nieuws: aanstaande zaterdag is de start van de Vuelta. Uiteraard wordt dit niet uitgezonden op de Nederlandse televisie, maar dat is alleen maar een zegen. Dat geeft je namelijk een goede reden om over te schakelen naar de wielergekke Belgen, zodat je je niet hoeft te ergeren aan Maarten Ducrot en Herbert Dijkstra, die zich vaker in een naam vergissen dan spelers van het spel ‘Wie ben ik?’. Michel Wuyts en José de Cauwer brengen je met hun zachte Belgische stemmen drie weken lang in vervoering. Neem daarbij een glas sangria, een bord paella en een wielerpeloton op een steile Spaanse muur en het recept voor een heerlijke namiddag is geboren.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Risico van het vak?

Als wielrenner word je tijdens de koers blootgesteld aan een hele reeks factoren die de wedstrijd voor jou kunnen beïnvloeden. Je kunt vallen, lekrijden, je ketting kan eraf vliegen, je kunt belemmerd worden door toeschouwers en overstekende koeien en honden, de spoorbomen kunnen dicht zijn net op het moment dat jij er overheen moet én je kunt als leider in de wedstrijd van achter worden aangereden door een motor van de organisatie op de laatste klim van de dag. Maar ja, dat laatste gebeurt natuurlijk nooit.

Toch wel. Uitgerekend dát overkwam de Belgische wielerheld Greg van Avermaet afgelopen zaterdag op de laatste klim van de Clásica San SebastiGreg van Avermaetán. Hij reed voorop in de koers en was naar eigen zeggen op weg naar de overwinning. Een motor van de organisatie reed tegen zijn achterwiel aan en gebroederlijk vielen de renner en de motor tegelijk tegen het asfalt. De Belg kon door een defect aan zijn fiets niet verder. Hij besloot daarop tussen de toeschouwers langs de kant van de weg het passeren van zijn concurrenten gade te slaan. Zijn achtervolgers, die naar boven aan het stoempen waren, merkten Van Avermaet niet op tussen het publiek.

Zo kon het gebeuren dat de latere winnaar, de jonge Adam Yates, over de finishlijn reed zonder te weten of hij gewonnen had of niet. De beelden van de finish zijn dan ook hilarisch. Yates is continu via zijn oortje aan het overleggen met zijn ploegleider en durft zijn handen niet in de lucht te steken in de angst een flater te slaan. Pas als hij na de finish het heuglijke bericht krijgt dat hij gewonnen heeft, durft hij zijn blijdschap te uiten. Hij zal wel gedacht hebben: “Huh? Maar… Van Avermaet reed toch op kop? Ik heb hem toch niet ingehaald? Of heb ik hem wél ingehaald, maar het niet opgemerkt?” Die jonge knaap (22 jaar) zal toch even getwijfeld hebben of al zijn zintuigen nog wel naar behoren functioneerden.

Bij voetbal kan een wedstrijd of een deel ervan overgespeeld worden als externe factoren, zoals supporters of de weersomstandigheden, zo’n grote rol spelen dat de wedstrijd er onevenredig door beïnvloed wordt. Dit is bij wielrennen (helaas) niet mogelijk. Het maakt de sport bij tijd en wijle vreselijk onrechtvaardig. Tot overmaat van ramp waren er bij de Clásica San Sebastián door technische problemen lange tijd geen live tv-beelden beschikbaar van de koers.

Een totaal onnodige aanrijding waarbij de leider van de wedstrijd wordt uitgeschakeld en de enige getuigen zijn enkele toeschouwers langs de kant van de weg. Het is maar goed dat ik niet geloof in complottheorieën.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

P.S. Ik kan me voorstellen dat je dit debacle pas gelooft als je het ziet. Daarom hier de link naar een filmpje op Youtube: de val van Van Avermaet en de twijfel bij Yates

Mooie tranen

Alejandro Valverde is 35 jaar. In een profcarrière van 13 jaar heeft hij een indrukwekkend palmares bij elkaar gefietst. Hij heeft Luik-Bastenaken-Luik en de Waalse Pijl meerdere keren gewonnen. Dit jaar kwam hij zelfs bij beide koersen als eerste over de streep. Daarnaast heeft hij de Ronde van Spanje een keer op zijn naam geschreven en nog een hele reeks aan ereplaatsen aan elkaar geregen. Ook vier touretappes staan achter zijn naam. Heb je dan nog dromen?

Alejandro Valverde WK 2Ja. De droom van Valverde was om in Parijs op het podium te staan. Je leest het goed: niet het wìnnen van de Tour, maar het podium. Wat zegt dat over de persoon Valverde? Dat hij een realist is. Hij wist allang dat het hoogste treetje in de Tour voor hem onhaalbaar is. Sterker nog, in zeven vorige tourdeelnames wist hij slechts twee keer bij de eerste vijf te eindigen. Dus een podiumplek moest het worden. En dat werd het ook. Eindelijk.

Na de finish van de etappe naar l’Alpe d’Huez barstte hij in tranen uit. Voor het eerst was het gelukt, op het podium staan in de Tour de France. Vorig jaar greep hij er met een vierde plek net naast. Daarmee vallen meteen een paar puzzelstukjes op hun plek. Nu is het duidelijk waarom Valverde zich in deze Tour niet volledig wilde opofferen voor zijn kopman, de sterkere en veel jongere Nairo Quintana. Daarmee liep hij namelijk het risico zijn podiumplek te verliezen. Zijn droom, waar hij zo dichtbij was, zou dan uiteen spatten.

Het lijkt erop dat Valverdes ultieme droom is uitgekomen. Maar naast de Tour de France is er nog die andere wedstrijd waarvan het zeer weinigen gegeven is om hem te winnen: het Wereldkampioenschap. Bij deze jaarlijkse eendaagse koers was er voor Valverde in de afgelopen tien jaar aan podiumplekken geen gebrek: twee keer zilver, vier keer brons. En je raadt het al, hij won het WK nog nooit. Het zal moeilijk worden om ook deze droom werkelijkheid te laten worden. Hij is een renner op leeftijd en het parcours in Richmond dit jaar met kasseien en korte steile klimmen lijkt hem niet goed te liggen. De tijd begint dus te dringen.

De tranen die ik gisteren zag, waren mooie tranen. Ik hoop dezelfde tranen ooit weer te zien op het WK.

Ode aan de echte amateur

Acht jaar geleden ben ik begonnen met wielrennen. Ik begon zoals waarschijnlijk velen dat doen: ik kocht een tweedehands stalen fiets met toeclips (u weet wel, die pedalen met leren riempjes om je schoenen in te steken) en een schakelsysteem op het frame. Links en rechts kreeg ik wat oude, afgedankte kleding aangereikt. De rondjes die ik reed, overschreden zelden de dertig kilometer en een gemiddelde van 27 kilometer per uur vond ik al heel wat.

Wielrennen is de meest materialistische en ijdele sport die er is. Ik kreeg nooit commentaar op mijn voorkomen, maar toch voelde ik de afkeuring als ik met andere fietsers samen reed. Wielrenners doen dat. Ze kraken jou niet af, maar pochen zoveel over hun eigen fiets en kleding, dat je vanzelf het idee krijgt dat je voor lul rijdt. En bovenal: je wordt niet serieus genomen.

Ik had sterk kunnen zijn, me er niks van aan kunnen trekken en gewoon op dezelfde (betaalbare!) manier door kunnen gaan. Maar helaas, ik ben voor de bijl gegaan. Het begon met een andere fiets (nog steeds tweedehands overigens, de metamorfose gaat in stapjes). Bij de fiets moest een bijpassend kledingsetje komen. De toeclips verruilde ik voor klikpedalen en het schakelen ging vanaf nu met de shifters op het stuur.

Ergens in dit proces kwam dé kritieke vraag bovendrijven: ga ik mijn benen scheren? In het begin van mijn ‘carrière’ peinsde ik er niet over. Je benen scheren is te veel gedoe, volstrekt nutteloos en bovendien ontzettend gay, althans, als ik mijn vrienden mag geloven. Maar ja, veel wielrenners doen het en zittend op de fiets staat het veel beter, toch? Ik verloor het van de ijdelheid. Vier jaar geleden heb ik voor het eerst mijn beenhaar verwijderd en sindsdien is het vaste prik geworden.

Zelfs toen was het einde van mijn metamorfose nog niet in zicht. Tegenwoordig rijd ik op een carbonfiets, gebruik ik gelletjes als ik lange afstanden rijd (helpen ze echt?) en zijn mijn fiets, shirt, broek, schoenen en helm qua kleur in perfecte harmonie met elkaar. Ik voel me er een betere fietser door, maar dat ben ik natuurlijk niet. Met andere woorden, ik kan niet zo goed uitleggen waarom ik het allemaal doe.

Je ziet ze nog regelmatig. De echte amateurs. Ze rijden op een blauwe fiets met een stalen frame, dragen een groen shirt met een rode broek en hebben behaarde benen. Ze rijden hun rondjes waarschijnlijk met net zo veel plezier als ik en ik rijd ze er lang niet allemaal af. En al lukt dat wel, dan nog weet ik dat ze op een ander vlak sterker zijn dan ik: ze zijn niet gezwicht voor de ijdelheid. Alleen al dat verdient respect. Via deze weg wil ik hen laten weten dat ik absoluut niet op ze neerkijk. Integendeel. Stiekem bewonder ik ze.

De wederopstanding van Robert Gesink?

Ik ben gisteren getuige geweest van de wederopstanding van Robert Gesink. Althans, dat beweert sportcommentator Herbert Dijkstra. De afgelopen jaren liepen de Nederlandse media weg met ‘Bau en Lau’ (Bauke Mollema en Laurens Ten Dam), maar Gesink lijkt dit tij te hebben gekeerd. Na enkele jaren van tegenvallende prestaties zijn alle ogen weer op hem gericht. Zoals het hoort, zou ik bijna zeggen.

Sinds jaar en dag is Robert Gesink de belofte voor het Nederlandse wielrennen. In zijn eerste seizoenen als wielerprof kon hij in etappekoersen al met de besten (Valverde, Evans, Contador) mee bergop . Hij reeg de ereplaatsen aan elkaar in het voorjaar en in de grote rondes eindigde hij meermaals in de top tien, met als beste prestatie tot nu toe de vierde plek in het eindklassement van de Tour de France in 2010 (nadat de uitslagen van Contador en Mensjov werden geschrapt).

Daarna stagneerde het. Gesink kende veel tegenslag, waardoor hij beneden verwachting presteerde. Hij was het slachtoffer van meerdere valpartijen, zijn vader overleed en hij leed aan hartritmestoornissen. Dat hij in 2013 de Giro voortijdig moest verlaten als gevolg van een aanval van hyperventilatie maakte duidelijk dat het in zijn hoofd niet helemaal goed zat. In 2014 besloot hij zich operatief te laten behandelen tegen zijn hartritmestoornissen. Nu, een jaar later, lijkt hij beter dan ooit.

Het is zo’n mediageniek verhaal: wielrenner maakt indruk aan het begin van zijn carrière, wordt gebombardeerd tot nationale belofte, kent vervolgens veel tegenslagen, maar slaagt er toch in de hooggespannen verwachtingen waar te maken. De kers op de taart is het interview na de etappe met de huilende coach van Gesink, Merijn Zeeman. Is dat waarom het mij raakt? Misschien. Ik ben vooral heel blij. Blij dat er weer een Nederlandse wielrenner is die potten kan breken en kan verrassen met zijn attractieve rijstijl. In tegenstelling tot die andere belofte, Mollema, kan Gesink meer dan alleen aanklampen. Dat maakt hem tot een veel leukere renner.

Robert Gesink

Michel Wuyts, de Belgische wielercommentator, stelde dat Gesink de meest getalenteerde Nederlandse renner is van de afgelopen jaren. Hij heeft gelijk. Ik hoop dat dat talent er in deze Tour definitief uitkomt. Eén berg is te weinig om daar conclusies over te trekken. De bergetappes van vandaag en morgen zullen duidelijk maken of Gesink een eenmalige opleving had of op weg is naar een podiumplek in Parijs. Ik durf niet te hopen op het laatste, maar ik doe het toch.

De ploeg en de ploegentijdrit

Wielrennen is niet van start tot finish zo hard mogelijk fietsen. Het is namelijk geen individuele sport. Om de essentie van het wielrennen te kunnen begrijpen, moet je weten dat elke renner deel uitmaakt van een wielerploeg. Een ploeg bestaat doorgaans uit acht of negen renners. Als een renner een overwinning boekt, heeft hij dit vaak (deels) te danken aan zijn ploeggenoten die zich voor hem hebben opgeofferd. In het wielerjargon wordt dit knechten genoemd. Knechten dient niet verward te worden met samenwerken. Samenwerken suggereert een bepaalde gelijkwaardigheid. Knechten daarentegen is een nederige manier van zelfopoffering.

Het is spijtig maar waar; sommige renners offeren zich alleen maar op voor anderen en winnen zelf nooit. Het zijn de eeuwige knechten. Het omgekeerde is ook het geval: sommige renners winnen vaak en hoeven nooit te knechten. Dat zijn de kopmannen (meestal te herkennen aan een rugnummer dat eindigt op 1: 11, 21, 81, 151 etc.).

Binnen de ploeg wordt door verschillende renners geknecht om tot een zo goed mogelijk resultaat te komen. Dat kan van alles zijn: een etappeoverwinning, een hoge plaats in het klassement of een kleiner doel, zoals het terugbrengen van een renner in het peloton nadat deze gevallen is.

Ik beweerde dat wielrennen niet betekent dat je van start tot finish zo hard mogelijk fietst. Dat is niet helemaal waar. In een tijdrit is dit namelijk wèl waar het om gaat. Binnen de discipline van het tijdrijden zijn er twee vormen: de individuele tijdrit en de ploegentijdrit. Dit zijn vreemde eenden in de bijt van het wielrennen en wel om de volgende redenen: terwijl de ploegentijdrit de enige discipline is waarin de ploeg vooral samenwerkt, is bij het individuele tijdrijden de renner volledig op zichzelf aangewezen.

Ploegentijdrit Giro d'Italia 2012

In geen enkele discipline is er zoveel samenwerking en verbondenheid binnen een ploeg te zien als tijdens de ploegentijdrit. Negen renners (als de ploeg nog volledig is) rijden in een gestroomlijnde trein achter elkaar. De voorste rijdt vol in de wind en sleept de trein voort. Als hij moe wordt, laat hij zich terugzakken naar de laatste positie en neemt de man in tweede positie zijn rol over. Dit gaat zo door totdat de finish wordt bereikt en het wordt ‘draaien’ genoemd. De renners die ‘leeg’ zijn, blijven achterin de trein hangen. Door hun hand kort op het achterwerk te leggen van de renner die zich terug laat zakken, geven ze aan dat deze voor hen moet invoegen: ze draaien niet meer mee.

De ploegentijdrit. Heel even worden kopmannen gedegradeerd tot simpele pionnen die de trein draaiend moeten houden en heel even kunnen knechten zich hun gelijken wanen. Heel even is de hiërarchie verdwenen. Heel even.

© Tekstbureau de Taalformule 2015

Welkom bij de Fietsformule

Beste fietsfanaten en -leken,

Mijn vriendin begrijpt niets van wielrennen; ze denkt dat alle renners van start tot finish zo hard mogelijk fietsen en dat de beste vervolgens wint. Als dat werkelijk zo is, zou het kijken naar een wielerwedstrijd dodelijk saai zijn. Dan zou er geen sprake zijn van tactiek, wat het kijken naar een koers juist zo interessant maakt. Ook zou er niet geknecht worden, je zou geen waterdragers hebben en de ene renner zou de ander nooit uit de wind houden.

Als je een wielerleek bent, gaan deze termen voor jou misschien al te ver. Dat komt goed uit. Als je dit blog blijft volgen, zal je in korte tijd meer te weten komen over alles wat met wielrennen te maken heeft. In het beste geval ga je begrijpen waarom wielrennen zo’n mooie sport is en zul je op een gegeven moment op een willekeurige zondag in april voor de televisie gaan zitten om te genieten van de Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik of Parijs-Roubaix. In het slechtste geval heb je iets geleerd en kun je bij de koffieautomaat op het werk doen alsof je enig idee hebt waar je collega’s het over hebben als zij praten over de touretappe van de vorige dag.

Ondertussen wil ik graag mijn vriendin bedanken voor de aanleiding die zij mij heeft gegeven om dit blog te starten. Daarnaast wil ik over één ding heel duidelijk zijn: mijn vriendin is fantastisch en het niet houden van wielrennen is slechts een van de weinige slechte eigenschappen van haar.

Ik wens je veel plezier met het lezen van mijn blog.

Hartelijke groet,

Sjaak van Haaster

© Tekstbureau de Taalformule 2015